
Deze week wil ik een verhaal delen over een jonge man van halverwege de dertig. Hij haalde zijn rijbewijs toen hij begin twintig was. Hij noemt zichzelf geen goede bestuurder. “Ik denk dat ik gewoon geluk had met mijn rijexamen.” zei hij tijdens onze eerste afspraak. Sindsdien heeft hij nauwelijks gereden. De auto bleef vooral stilstaan, niet omdat hij niet wíl rijden, maar omdat hij bang is dat er iets misgaat.
Hij voelt zich enorm verantwoordelijk in het verkeer. Hij vreest dat hij een ongeluk veroorzaakt, of dat anderen zich aan hem ergeren als hij iets onhandig doet. Het idee alleen al dat iemand last van hem zou krijgen, vertelt hij. “Dat is zo erg, dat ik niet meer durf.”
Tijdens onze ritten hoor ik vaak een zacht “sorry”. Voor een bocht die wat wijd uitviel of bijvoorbeeld voor het even twijfelen bij het invoegen. Soms zelfs voor iets wat niet gebeurd is. “Vorige week reed ik te veel naar rechts, weet je nog?” vraagt hij dan. Meestal weet ik dat niet meer. Niet omdat het me niet interesseert, maar omdat ik geen intern scorebord bijhoud.
Toch denken veel mensen dat ik dat wel doe, dat ik hun fouten bijhoud of me zit te ergeren aan een onhandigheidjes. Alsof ik na afloop vinkjes zet bij ‘de foutjes’. En die ongerustheid begrijp ik. Rijangst en perfectionisme gaan vaak samen. De angst om te falen, of om beoordeeld te worden, overspoelt het zelfvertrouwen.
Maar niets van die ongerustheid is waar. Ik vind niemand een sukkel. Integendeel. Ik voel me juist betrokken, vaak ontroerd zelfs, door de moed die iemand toont om het probleem rond rijangst aan te gaan en dat ik mag helpen. Rijangst overwinnen vraagt lef. Het betekent dat je iets aangaat wat je eigenlijk liever uit de weg gaat. En daar heb ik echt respect voor.
Het mooie aan mijn werk is dat ik niet alleen iets geef, ik krijg ook veel terug. Het gevoel van betekenis te kunnen zijn, raakt mij iedere keer. Elke ontmoeting leert mij ook weer iets over mezelf, over geduld, menselijkheid en vertrouwen. Blijven leren, dat doen we allebei.
Hoe mooi is het om samen op te merken dat er minder sorry’s vallen. Hij durft nu soms zelfs te lachen om kleine foutjes. En met elke rit groeit zijn zelfvertrouwen. Natuurlijk helpen de praktische oefeningen. Maar wat het écht verschil maakt, is de gelijkwaardigheid.
Begrip en respect kun je niet spelen. Je voelt het of je voelt het niet. En pas als iemand zich gezien en niet beoordeeld voelt, ontstaat er ruimte om te groeien.
Aan het eind van een recente rit zei hij: “Ik merk dat ik minder bang ben dat ik jou teleurstel.” Dat raakt me want dat gevoel gun ik iedereen en ook mezelf.
En dat is, denk ik, is precies hoe leren werkt, in het verkeer én daarbuiten.