
‘Het zit natuurlijk tussen mijn oren’ zegt hij met een wat verontschuldigende glimlach.
Hij is eind veertig, een rustige man. Geen type dat zich zomaar van zijn stuk laat brengen. Of dat in ieder geval niet toestaat. Hij heeft een probleem laat hij mij weten. Zodra hij een vrachtwagen moet inhalen, slaat namelijk de spanning toe. Het hart gaat sneller, de handen worden klam, de blik vernauwt. En dus vermijdt hij het steeds vaker. ‘Ik rijd dan dus gewoon liever een stukje achter die vrachtwagen. Wel zo rustig,’ zegt hij dan.
Als ik vraag wat er precies gebeurt, zegt hij: ‘ja, ik wéét ook wel dat het nergens op slaat. Er is geen gevaar. Ik doe niets geks. Het is niet reëel.’
En daar heeft hij gelijk in. Er is geen direct gevaar. In die zin is zijn angst inderdaad niet reëel. Maar dat maakt het gevoel er niet minder echt op. Angst is altijd echt want je voelt hem. Door je hele lijf. En die spanning, die onrust, dat gierende gevoel in je lijf, dat is er gewoon.
In het verkeer maken we soms onderscheid tussen functionele en niet-functionele angst. Functionele angst helpt je alert te blijven: even die spanning als iemand onverwacht remt, of bij slecht zicht. Die angst is gezond. Hij beschermt je.
Maar de angst die deze man voelt op de snelweg, bij het inhalen van vrachtwagens, is niet-functioneel. Die helpt hem niet. Integendeel want het belemmert hem.
Toch is het te simpel om te zeggen dat het alleen tussen je oren zit. Want angst is niet puur een gedachte. Het is een lichamelijke reactie, een alarmsysteem dat aan gaat, ook als er geen écht gevaar is. Het lichaam reageert alsof het in gevaar is, terwijl het verstand allang weet dat dat niet zo is. Maar je heldere denken is even niet aan zet.
En juist daar wringt het vaak. Want mensen proberen met hun hoofd invloed uit te oefenen op hun angst, jezelf toespreken: Niet aanstellen. Niks aan de hand. Kom op, doe normaal.
Maar hoe harder je probeert je angst met gedachten te controleren, hoe sterker hij vaak wordt.
Daarom zeg ik in zulke situaties: stop met vechten.
Stop met wat ik mentale controle noem : het idee dat je je angst kunt wegdenken.
Wat wél helpt, is praktische controle.
Niet in je hoofd blijven hangen, maar je aandacht bewust naar buiten brengen. Naar het verkeer. Naar wat er feitelijk gebeurt. Hoeveel ruimte is er? Hoe hard rijdt de vrachtwagen? Wat doet het overige verkeer?
Door je aandacht te verleggen van binnen (je angst, je gedachten, je hartslag) naar buiten (de weg, de situatie, de handeling) krijgt je systeem rust.
Angst verdwijnt niet door er tegen te vechten.
Hij verliest pas zijn grip als je hem niet meer probeert te bevechten.
En soms begint dat simpelweg met accepteren dat iets niet tussen je oren zit, maar in je hele lijf voelbaar is en dat dat oké is. Je hoeft er niets mee te doen. Het is vaak een oud patroon. En dat moet doorbroken worden.