
Deze week had ik een derde afspraak met een vrouw van begin veertig, jarenlang gereden, geen beginner. Maar sinds die ene paniekaanval op de snelweg voelt autorijden als een veldslag. Ze wil ervan af, natuurlijk. Ze doet alles om de angst niet te voelen. Ze vecht. En ze denkt dat dat hoort.
We rijden de snelweg op. Ik pas een hardop-denkoefening toe. Ze doet haar best om mee te kijken, zoals zoveel mensen met rijangst. Ze wil het goed doen. Geen angst laten zien.
Na een tijdje stoppen we. We evalueren.
Ze zegt: ‘Ik doe wel mee met wat je vraagt, maar ik voel nog steeds hoge spanning.’
Ze wist het aardig te verbloemen.
‘Je blijft maar vechten,’ zeg ik zacht.
Ze zucht: ‘Ja, maar wat moet ik dan?’
Ik vraag: ‘Hoe ziet je gevecht eruit van binnen?’
Het blijft even stil. Dan zegt ze voorzichtig:
‘Ik duw het weg… alsof ik het achter een deur stop.’
‘Dus je duwt het weg,’ zeg ik. ‘Zo iets als in figuurlijke zin, je vingers in je oren stoppen: nananana, ik wil het niet horen en al helemaal niet voelen.’
Ze knikt. ‘Ja… zoiets.’
Ik stel haar voor om met twee sporen te werken.
1: Aandacht naar buiten te brengen.
2: Stoppen met vechten tegen de angst.
Dat tweede spoor is het lastigst. Want wat doe je dan, als je niet meer vecht?
Ik geef haar een metafoor:
‘Zie je zenuwstelsel als een wat nerveuze waakhond. Hij blaft enorm. Hij denkt dat er gevaar is. Maar het is een lief beest. Hij wil je beschermen. Er valt een takje van een boom en hij gaat al tekeer. Maar er is geen écht gevaar.’
‘En die hond zit achter een deur,’ zeg ik. ‘weggestopt omdat hij zoveel blaft.’
Ik kijk haar aan.
‘Wat zou jij doen met zo’n lieve hond?’
Ze denkt even.
‘Ik zou hem aaien,’ zegt ze zacht.
Zo mooi gezegd.
‘Precies,’ zeg ik. ‘jij bent de hond. Je angst wil je beschermen. Duw hem niet weg. Open de deur. Aai hem. Wees lief voor jezelf.’
Laat de deur open
We rijden weer verder. Ik herinner haar regelmatig aan de deur. Niet meer wegduwen. Ze zegt vrijwel niets. Maar ik zie haar adem zakken, haar schouders ontspannen. Ze kijkt zelfverzekerder, zonder dat er iets spectaculairs gebeurt. Want dat is het gekke met angst:
Niet het wegduwen geeft rust, maar juist het toelaten.
Als je stopt met vechten, hoeft er niets meer overwonnen te worden. Dan mag de angst een hond zijn die blaft, maar je niet bijt. En dat is waar verandering begint. Door zacht te zijn. Door de deur open te laten.
Misschien is dat wel de belangrijkste les die rijangst ons kan geven:
Dat veiligheid niet ontstaat door controle, maar door acceptatie.
Wil je reageren of herken je iets uit dit verhaal? Ik lees het graag.
Als ik op de snelweg rijd en dit toe wil toepassen neemt de angst mij als het ware over, waardoor ik er aan toe geeft en uit de situatie vlucht. (Vluchtstrook of afslag) Het lukt mij wel om aandacht naar buiten te richten en angst toe te laten, maar niet om over die angst op de snelweg heen te gaan. Ik beland dan in een freeze, wil langzamer dan wat veilig is en uiteindelijk echt weg uit de situatie zoals ik al zei.
Hallo Menno, het toepassen van deze metafoor is ook een fragment uit een traject. Het is een proces wat voor iedereen anders verloopt. In mijn blogs haal ik middelen aan die ik zoal inzet. Het is zelden een snelle fix. het toelaten van angst is een behoorlijke drempel voor iedereen. Uiteindelijk groeit het vertrouwen dat de waakhond geen kwaad kan. Ik zou je in de praktijk daarin kunnen begeleiden. Een traject heeft een gemiddelde duur van 5 afspraken. Groetjes Nicole